Bovenkant van deze pagina
Ga direct naar inhoud »
Ga direct naar zoekfunctie »
De Obdammermolen
Van de oostelijke ringdijk van de Berkmeer lopen we over een hoge witte kwakelbrug - ‘kakelepost’ op z’n Westfries - naar de Obdammerdijk en daaraan gelegen Obdammermolen. Een achtkante ‘binnenkruier’ (zie kijkpunt D) uit het laatste kwart van de 17e eeuw. Later ’vervijzeld’, d.w.z. van een watervijzel voorzien, een reusachtig soort kurketrekker waarmee het water hogerop werd ‘geschroefd’ - veel hoger (4 à 5 m) dan met een scheprad mogelijk was (1 à 1.5 m). Verleent nu af en toe bijstand aan het gemaal er naast dat de 905 ha grote polder Obdam afwatert op de Vereenigde Raaksmaats- en Niedorperkoggeboezem.
De Rijd
De Rijd is van oorsprong een veenmeertje dat vóór de ruilverkaveling van 1970-1974 de zuidgrens vormde van de Kostverlorenpolder (gezien de naam een financiële tegenvaller...). In 1975 is op de noordoever ten oosten van het vooroorlogse kanaal een recreatiegebied aangelegd met bungalows, jachthaven, zwembad, restaurant, speel- en ligweiden. Nu verscholen achter de oostdijk in hoogopgaand groen.
Groenedijk van Veenhuizen
Om geld uit te sparen werd er door de bedijkers van de Grote of Zuiderwaard (zoals de Heerhugowaard ook wel heette) in 1628-29 aan de oostkant geen aparte ringdijk met ringvaart aangelegd. Ze maakten gewoon gebruik van de bestaande, 12 eeuwse dijk van de middeleeuwse banne en polder Veenhuizen. Zij het dat die verhoogd werd tot een ringdijk, de Veenhuizer Omloopdijk - later omgedoopt tot Groenedijk. U loopt over het onverharde maar wel openbare zuiddeel van deze dijk dat aan asfaltering is ontkomen doordat men eind jaren 1960 een bestaande doorsteek naar de Berkmeer heeft geasfalteerd (Zwarteweg).
De vroeger zo hoge grasdijk is hier één aan het worden met het omringende weiland. Dat is niet vanzelf gegaan overigens, boeren hebben hier een handje geholpen: in 1945 (illegaal) en in 1973 (met toestemming van de provincie, tot 0.80 cm boven het maaiveld), volgens Ed Dekker in zijn boek ‘Veenhuizen van vroeger. Een oud dorp in jong Heerhugowaard’ (1993). In 1982 wilden de gebroeders Van Diepen de rest van de 700 m lange dijk afgraven, met de zegen van het toenmalige Waterschap Groot-Geestmerambacht. Maar daar heeft het toenmalige provinciebestuur een stokje voor gestoken, met een beroep op de cultuur-historische waarde en het beeldbepalende karakter van de oude dijk. Met steun van de Veenhuizer Dorpsraad die een precedent vreesde (het onverharde noorddeel van de dijk kon dan ook meteen uitgevlakt worden in het landschap).
Kanaal Alkmaar (Omval)-Kolhorn
Vlak onder de Braaksluis wordt de Kromme Gouw rechtgetrokken en hergebruikt door het provinciale Kanaal Alkmaar (Omval)-Kolhorn. Aangelegd als werkverschaffingsproject in de jaren 1938-1942. Op instigatie van de Westfriesche Kanaalvereniging, die al sinds 1915 gepleit had voor meer kanalen in dit gebied om zo het transport te water, de binnenschipperij en de plattelandseconomie te stimuleren. Dat bleek uiteindelijk tegen te vallen vanwege de geringe doorvaarthoogte van de bruggen, de kleinschaligheid en vooral het opkomend vrachtverkeer over de weg. Voor de recreatievaart en de afwatering van de omliggende polders is het kanaal inmiddels onmisbaar geworden. En als de provinciale ecologische verbindingszone ook hier klaar is, zullen de glooiend gemaakte oevers ideaal zijn als schuil- en broedplaatsen voor allerlei vogels en vissen. Op sommige plekken is nog goed te zien waar de Kromme Gouw doorsneden is door het kanaal en er omkade, verlande en opgevulde restlandjes ontstaan zijn.
Kerkepad naar Obdam
Vroeger liep de Molenweg als onverhard kerkepad in rechte lijn door naar de RK-kerk in Obdam. Ook na de komst van het spoor tussen Heerhugowaard en Hoorn in 1898 bleef het bestaan, dankzij een onbewaakte overgang. Sinds de ruilverkaveling moet de wandelaar omlopen via verharde polderwegen. Hopelijk wordt dit vroegere kerkepad weer in ere hersteld, evenals dat door de Berkmeer en de Veenhuizerpolder, in directe aansluiting hierop (dit pad komt voor op oude kaarten).
Kolhorn
Kolhorn ofwel ‘Koudehoek’ in een knik van de oude zeedijk. Rond 1300 al genoemd als overslagplaats van wier voor de dijkenbouw, later ook van turf als brandstof: zie de zwart geteerde turfschuren op de dijk. In de 17e en 18e eeuw was het dorp booming: compagnieschepen uit de oost en de west werden hier vaak gelost of geladen met allerhande goederen en levensmiddelen uit of voor Amsterdam - vanwege ondieptes op de Zuiderzee als Pampus. Na de aanleg van het Groot Noordhollands Kanaal (1825) tussen Amsterdam en Den Helder droogde die transportstroom op en moest het dorp weer overschakelen op vis (haring, ansjovis, walvis, paling), zeevaart en wier. Na de drooglegging van de Waard- en Groetpolders in 1847 bleek alleen meekrap daar goed te gedijen. Er kwam een meekrapfabriek in Kolhorn die de wortels van die plant droogde, ‘stoofde’, fijnmaalde en verpoederde tot rode kleurstof. Ook daaraan kwam een eind toen vanaf 1870 langs chemische weg kleurstoffen gemaakt konden worden. Na het droogvallen van de Wieringmeer in 1930 was het ook gedaan met de zeevisserij en alles wat daarbij hoort. Kolhorn sliep in om na de oorlog gewekt te worden door de recreatievaart. Het knusse kneuterdorp dat nu achter de hoge dijk schuilt, dateert grotendeels van nà de grote brand van 1788. Kolhorn heeft naast zijn karakteristieke vissersbuurtje een oudheidkamer (Museum De Turfschuur) en een archeologisch museumpje (Erfgoedcentrum Op Zee Land).
Kromme Gouw
Onder Kolhorn volgt de route een oude slingerende veenstroom, de Kromme Gouw. Bij een helaas dichtgegooid ‘verlaat’ (schutsluis) stapt u over naar de zuidoever, waar een modern gemaaltje lelijk staat te wezen. In 1654 werd hier een houten sluisje gebouwd vanwege de verschillende waterpeilen in de Schager- en Niedorper Koggen. In 1864 vervangen door een stenen sluis.
Lutjewinkel
Het ‘lutje’ ofwel ‘kleine’ broertje van het dorp Winkel, op z’n Westfries. Klein maar groot door zijn volautomatische kaasfabriek (van Campina). Deze ligt met zijn insteekhaven vlak naast de grotendeels vergraven spoorbaan van de stoomtram Schagen-Wognum die hier tussen 1898 en 1930 het kanaal gekruist heeft: de spoorbrug is verdwenen overigens. Vanwege de insteekhaven en een niet-vergraven tak van de Kromme Gouw verruilt u de westoever voor de oostoever van het kanaal.
Molen De Hoop in Oude Niedorp
Een oude korenmolen, in 1641 gebouwd als achtkante bovenkruier, dus met een kap die van buiten af op de wind ‘gekruid’ kan worden. Beeldschoon ligt hij daar, zo aan de rand van de oude vaart (Westerlangereis, sinds 1539) en het dorp, ‘beeldbepalend’ heet dat in het jargon. Dat dorp heeft een rare naam, een tegenstelling op zich: Oude Nieuwdorp, ter onderscheiding van zijn latere, iets noordelijker gestichte woonkern: Nieuwe Nieuwdorp. Oud en nieuw, wat heet: allebei zijn het middeleeuwse dorpen, in 1415 tot stad bevorderd: ‘Stede Niedorp’. Maar dat zie je er niet aan af...
Plempdijk tussen de Berkmeer en Heerhugowaard
Wat ook ontbreekt aan de noordoostkant van de Waard zijn molens. Op de prachtige, in koper gegraveerde Caerte van de Heer-Huygen-Waert uit 1631 zijn op de zuidpunt van de Groendijk en langs de Molenwegh en -sloot bij de Plempdijk maar liefst zes molens te ontwaren. Niets meer van over, zelfs geen molenstomp: er valt beneden in het weiland alleen nog een restant van een molenkolk en een boezemsloot te zien. Maar als we ons op de Plempdijk omdraaien naar het oosten dan zien we links de poldermolen van Veenhuizen, rechts die van Obdam en in het midden die van de in 1635 drooggelegde Berkmeer, een bijmeer van de Heerhuygenwaert. Dat uitzicht vergoedt veel. De Plempdijk (op het blauwe naambordje staat abusievelijk Plemdijk) zèlf diende als afsluiting van het Berkmeer voordat deze drooggemaakt werd. Als ‘natte’, in het water aangeplempte dijk werd hij ‘plempdijk’ genoemd, ter onderscheiding van een droge dijk op een voorland - niet negatief bedoeld dus...
Veenhuizerweg in de Heerhugowaard
Van de hooggelegen dijkweg N241 dalen we af in het Hoge Noorden van de Heerhugowaard. Vóór de drooglegging in 1630 was deze, naar Hugo van Assendelft (o.m. Heer van Veenhuizen) vernoemde ‘waard’ een langwerpig buitendijksgebied. Waar de bovenste, vanaf de Romeinse tijd gegroeide veenlaag door ontginning (vanaf ± 900) en daarop volgende inklinking en verzakking, afkalfing en verwatering vanaf 1200 veranderde in een onoverzichtelijke archipel van plassen, poelen, eilandjes, kartelige oeverlanden ofwel ‘druiplanden’. In het zuiden slechts door een smalle dijk - de Huigendijk - gescheiden van het grote Schermeer (de iets later ook drooggemaakte Schermer). Druiplanden waren moerassige rietlanden, hier in het wat hogere noordoosten vooral bestaand uit blubberige restveen en zavel, opgestuwd door zuidwestelijke stromingen: Veenhuizermeer of -waard geheten. Na het droogvallen van de Waard werden deze in keurig rechte kavels opgedeeld en voorzien van een middenweg, de Veenhuizerweg waar u nu oploopt.
Verlaat van Niedorp
In het vroegere ‘verlaat’ (sluis) van Niedorp konden tot 1942 schepen geschut worden van de Niedorpervaart naar de Westerlangereis of andersom. Nadat vlak voor de oorlog de vaart verbreed was tot het Kanaal Alkmaar-Kolhorn, is de doorgaande weg Schagen-Hoorn westwaarts verlegd en als provinciale weg verbreed (de huidige N241). Aan de zuidkant op Verlaat nr. 48, rechts van het brugje staat een vierkant, 18e-eeuws huis met een zadeldak: de vroegere herberg ‘s Lands Welvaren. Met daar tegenover een vooroorlogs electriciteitshuisje in Amsterdamse School-stijl met een parabool dak en gele siertegels: daarop een haan als symbool van licht en een buldog als symbool van kracht.
Westermolen in Nieuwe Niedorp
De Westermolen is een in 1854 gebouwde vijzelmolen: een achtkante ‘binnenkruier’, d.w.z. een molen waarvan de kap van binnenuit op de wind wordt ‘gekruid’. Opvolger van een toen als gevolg van blikseminslag geheel afgebrande schepradmolen uit 1635. Samen met een modern electrisch gemaal (i.p.v. 19e-eeuws stoomgemaal) bemaalt hij nu de 725 hectare grote Oosterpolder onder Winkel en Nieuwe Niedorp in de Vereenigde Raaksmaats- & Niedorperkoggeboezem. De molen lag tot de oorlog aan de Herbergsloot, later vergraven en verbreed tot het huidige kanaal.
Westfriese Omringdijk
“Er is langer aan gewerkt dan aan de pyramiden, kathedralen en de Chinese Muur’, aldus J.J. Schilstra in zijn boek ‘In de Ban van de Dijk. De Westrfiese Omringdijk’ (1974). Maar hoe lang precies? ‘Vermoedelijk dateert hij uit de eerste helft van de 13e eeuw. In 1320 weten wij zeker dat de ring geheel gesloten is en er dus van een Westfriese Omringdijk kan worden gesproken’, aldus Helga Danner in ‘...die water keert. 800 jaar regionale dijkzorg in Hollands Noorderkwartier’ (1994). Dat zou dus betekenen dat er zo’n 120 jaar lang aan gewerkt is, van ± 1200 to 1320... De historici houden het bewust vaag: schriftelijke bewijzen ontbreken immers. Het enige harde, schriftelijke dijkbewijs is een archiefstuk uit 1250 van de Egmonder Abdij dat handelt over herstel van een stuk omringdijk dat in 1248 door een stormvloed is weggeslagen. Wat weten we verder nog? Dat hij maar liefst 126 km lang is en bestaat uit een aarden lichaam, van voren versterkt met een ‘wierriem’ (muur van geperst zeegras), houtsparren, keien en paalwerk - net zo’n wierdijk dus als op Wieringen. Na de bedijkingen van de Zijpe (sinds 1556) en de Wieringerwaard (sinds 1610) bleef men de dijk wel op hoogte houden, maar de wierriemen en paalwerken werden weggehaald. Bij boringen in 1989 bleek overigens dat er nog wierresten in de dijk aanwezig zijn. Niet voor niets staat hij sinds 1983 op de provinciale monumentenlijst. Een monument van zweten en zwoegen, niet alleen tijdens de langdurige aanleg maar ook later, tijdens het dichten van de vele doorbraken en de veelvuldige verhogings- en onderhoudswerken.
Bijzondere ondernemers langs het pad, een bezoekje waard! Klik hier voor het overzicht of kijk op de kaart.
Klik hier om de routegids Noord-Hollandpad (€ 13,95) te bestellen
Bovenkant van deze pagina
Ga direct naar inhoud »
Ga direct naar zoekfunctie »