Blog: Industrieel erfgoed, populair maar moeilijk

(23 oktober 2017)

Tijdens de Dag van de herbestemming op 12 oktober 2017 was ik in de Honigfabriek in Zaandijk. Langs de Zaan liggen veel van dit soort mooie grote complexen die dateren uit het eind van de 19e of het begin van de 20e eeuw. Sommige nog in de traditionele bakstenen uitvoering, de jongere gebouwen juist van beton en staal.

Op dit soort plekken overvalt me altijd een vreemd soort nostalgie. Misschien zelfs misplaatste heimwee naar het ruwe industriële tijdperk. Hier liepen arbeiders te zweten en te sjouwen met balen met grondstoffen in een hels kabaal van draaiende gevaarlijke machines. De mens vindt de massaproductie uit en vergeet zichzelf in dat proces een beetje. Maar de vooruitgang was onstuitbaar. Scheepswerven, machinefabrieken en staalkabels waren overal waar bevaarbare wateren de steden ontsloten. Langs de Zaan en het Spaarne staan nog steeds prachtige getuigenissen van die tijd. 

Honig-fabriek
De Honig-fabriek

Ruw en stoer

Industrieel erfgoed beschikt meestal over grote ruimtes die praktisch in te delen zijn. Daardoor bieden ze veel mogelijkheden. Het intensieve gebruik en de lage waardering voor deze gebouwen toen ze leeg kwamen te staan, geeft ze een ruwe en stoere uitstraling mee. En op die uitstraling zijn we de laatste jaren plotseling allemaal weer dol. We willen de ruwe structuur van de industrie omarmen en onderdeel maken van ons huidige bestaan.

Lakeien

Dit is ook onze geschiedenis. En voor velen is het misschien wel meer onze geschiedenis dan de kastelen, paleizen, kerken en landhuizen van meer dan 300 jaar oud. In dat soort gebouwen komen de ornamenten en sierlijsten je van alle kanten tegemoet. Rijk versierde plafonds zijn alom aanwezig. Hier brachten lakeien in livrei kopjes thee rond en werden gasten ontvangen op overvloedige diners. Dat was een heel ander hoofdstuk uit de geschiedenis. Verder weg en tot voor kort fotogenieker en romantischer, maar dat tij lijkt te keren. Moderapportages worden zelden nog gemaakt in een kasteel, maar regelmatig tussen kapotte ramen en roestige stalen pijpen. Reclamebureaus verhuizen van die villa in Laren naar een oude scheepswerf. Is het herbestemmen van industrieel erfgoed daarmee eenvoudig geworden?

Zeker niet. De omvang en de schaal van dit soort gebouwen dwingen ons na te denken over een bredere context. Het gaat bijna als vanzelf over gebiedsontwikkeling in plaats van alleen herbestemming van een gebouw. Dat betekent een lange adem en behoorlijke investeringen die pas op langere termijn zullen gaan renderen. Daarom zien we zo vaak tijdelijke exploitaties van industrieel erfgoed. In de ‘tussentijd’ kan er al zoveel met de bestaande gebouwen dat we de grens tussen permanente en definitieve herbestemming soms niet meer zien.

Impuls voor omgeving

In de praktijk blijkt dat er tijdens de tijdelijke exploitatie meestal te weinig wordt geïnvesteerd om ook de omgeving een impuls te geven. Ik ben het daarom ook niet eens met de stelling dat het tijdelijke altijd vanzelf en organisch zal leiden tot het definitieve. Het kan, maar het leidt niet altijd tot de gewenste kwaliteit. 

Mooie dingen

De vastgoedcrisis van de afgelopen jaren zorgde dat er niet zo veel belangstelling was voor industrieel erfgoed. Bovendien hebben overheden op dit terrein weinig visie ontwikkeld. Nu het tij is gekeerd en allerlei vastgoedpartijen geïnteresseerd zijn in herontwikkeling en herbestemming, moeten we meer kwalitatieve sturing organiseren. Juist nu de markt weer ruimte biedt, is er meer geld beschikbaar voor kwaliteit in de gebouwde omgeving. Laten we hopen dat stedenbouwers en architecten met ervaring op dit vlak ruimte krijgen om mooie dingen te gaan doen!
 

Uitgelicht