Blog: Politieke gelijkheid: een onvoltooid project

(25 februari 2019)

We vieren dit jaar 100 jaar vrouwenkiesrecht, dat is een feestje waard. Maar het is ook een moment voor reflectie, want ondanks gelijke rechten zijn vrouwen nog steeds ondervertegenwoordigd in de politiek. Hoe kan dat?

Als je goed kijkt zie je dat politieke gelijkheid niet pas bij verkiezingen begint maar veel eerder, bij de politieke aspiraties van jongeren.

Liza Mugge
Foto: Jan Willem Kaldenbach

Allereerst, waarom is diversiteit belangrijk? Internationaal onderzoek wijst uit dat diverse democratieën beter functioneren. Politiek vertrouwen is sterker, en mensen accepteren verkiezingsuitslagen meer. Een breed palet aan achtergronden op het politieke toneel verkleint negatieve stereotyperingen. Als vrouwen actief gerekruteerd worden, vergroot dat de pool van kandidaten. Gemengde teams presteren beter omdat verschillende teamleden onderwerpen inbrengen die anders over het hoofd worden gezien. Dat geldt ook in de politiek.

Het huidige aandeel vrouwen in de politiek loopt uiteen per niveau en regio. Onder landelijke benoemingen is gendergelijkheid het hoogst – de helft van de staatsecretarissen en meer dan een derde van de ministers is vrouw. Onder lokale benoemingen – wethouders en burgemeesters – is het aandeel vrouwen het laagst (21%). In de Provinciale Staten is het percentage vrouwen het hoogst in Utrecht (45%) en het laagst in Zeeland en Limburg (26%). Per provincie is het aandeel vrouwen in gemeenteraden in Noord-Holland gemiddeld het hoogst en in Zeeland het laagst. Amsterdam is de enige gemeente waar de raad bijna voor de helft uit vrouwen bestaat.

Populaire analyses van gendergelijkheid in de politiek kijken vooral naar het aandeel vrouwelijke kandidaten of naar verkiezingsuitslagen. Maar de wortels van vrouwelijke ondervertegenwoordiging moeten we veel vroeger zoeken. Politieke representatie is een proces van vraag en aanbod, in elke fase van dit proces vallen meer vrouwen af dan mannen. Het begint bij aspiranten die zich gekwalificeerd voelen en voldoende steun hebben om zich kandidaat te stellen. Dit is enerzijds afhankelijk van structurele factoren zoals opleiding en positie op de arbeidsmarkt. Anderzijds zijn positieve rolmodellen van belang.

Tijdens de formatie in 2017 stelde Rutte: “Mijn streven is de beste mensen te vinden. De verdeling man/vrouw is secundair." Rutte’s opmerking staat niet op zichzelf, maar past in een bredere discussie over gendergelijkheid. Of het nu gaat om invoeren van quota of mildere maatregelen om meer vrouwen op invloedrijke posities te krijgen, het geijkte tegenargument is dat aandacht voor kwaliteit verloren gaat. In een goed functionerende partij of politiek stelsel zou dit geen discussiepunt mogen zijn, daar zijn procedures die kwaliteit bewaken.

Maar de feitelijke selectie begint niet pas als een premier zijn kabinet samenstelt. Door dominante gender stereotypen worden mannen en mannelijke eigenschappen, zoals agressie en ambitie, hoger gewaardeerd voor leidinggevende en politieke functies dan vrouwen en vrouwelijke eigenschappen. Zo hebben vrouwen al een achterstand voordat ze überhaupt denken aan een politieke loopbaan. Gendervooroordelen beïnvloeden hoe we als samenleving denken over kwaliteit in politiek en hebben grote invloed op de aspirantenfase.

Sommige aspiranten stellen zich kandidaat. Sterke vrouwennetwerken binnen partijen kunnen in deze fase aspiranten duwen en aansporen. Bovendien kunnen ze strijden voor structurele maatregelen, zoals streefcijfers. Alhoewel verschillende partijen, zoals CDA, VVD en D66, in principe de wens hebben om meer vrouwelijke kandidaten op de lijst te zetten, zijn er maar weinig partijen die deze wens vastzetten in een instrument. De PvdA is de enige partij die zich commiteert aan een ritsstysteem. Bij andere partijen is het argument al snel, ‘we hebben wel gekeken, maar ze zijn er niet.’ Dit is problematisch als er geen vrouwennetwerken zijn met een sterke positie in de partij die lijstjes kunnen aanleveren met geschikte kandidaten. Iedereen – dus óók vrouwen – kiest nu eenmaal voor mensen waarin ze zichzelf herkennen en die in hun netwerk zitten. En juist deze partijnetwerken, waarin vooral mannen sleutelposities vervullen, vaak niet divers genoeg. Zo blijft ongelijkheid in stand.

Als we meer vrouwen in de politiek willen, moeten we in een zo vroeg mogelijk stadium jong talent aanmoedigen, scouten en trainen. Hiervoor is brede steun noodzakelijk, ook van mannen. Het bevorderen van vrouwen is nu vooral expliciet onderdeel van institutioneel radarwerk binnen partijen aan de linkerzijde. Els Borst zei: ‘Politiek is te belangrijk om alleen aan mannen over te laten.’ Ik wil hieraan toevoegen: diversiteit is te belangrijk is om alleen aan linkse partijen over te laten. Dit is geen ‘linkse hobby’, maar een slag naar betere politiek. Vrouwen zijn divers. Een inclusieve democratie vergt dat vrouwen van alle politieke kleuren vertegenwoordigd zijn. Standpunten van conservatieve vrouwelijke politici over vrouwen zullen door linkse feministen zeker niet worden toegejuicht. Maar daarvoor is het politiek. En bij politiek hoort een debat. Des te inclusiever, des democratischer.

Liza Mügge

Universitair Hoofddocent politicologie, Universiteit van Amsterdam
Jurylid Ribbius-Peletier Penning

Dit blog is een bewerkte versie van de toespraak die Liza Mügge hield tijdens de opening van de tentoonstelling ‘Stemt Hoopvol’, 100 jaar vrouwenkiesrecht in Noord-Holland.