Musea in Welgelegen

Al snel na de dood van Wilhelmina van Pruisen in 1820 werd het Paviljoen door Willem II in 1828 aangewezen als museum. Een logisch besluit, want het Paviljoen is als ‘privémuseum’ gebouwd voor de kunstcollectie van Henry Hope. Het duurde tot 1838 tot het eerste museum onderdak kreeg in het Paviljoen.

Ook nu nog is Paviljoen Welgelegen, naast haar huidige hoofdfunctie als Provinciehuis Noord-Holland, een museum met exposities, ‘stijlkamers’ en een tuin met beelden. De ‘stijlkamers’ en andere bijzondere zalen zijn alleen onder begeleiding van een gids te bezoeken. Tijdens kantooruren zijn de historische tentoonstelling ‘Welkom in Welgelegen’ en een wisselende moderne kunsttentoonstelling te zien. Meer informatie over exposities staat op de Facebookpagina Dreef expo. Ook de binnentuin is open voor publiek. De beelden maken deel uit van de route ‘Provinciehuis’ van Haarlems Beeld

Musea

Museum van Levende Nederlandsche Meesters (1838-1885)

Koning Lodewijk Napoleon was nauw betrokken bij de aankoop van eigentijdse kunst voor de rijkscollectie. In zijn korte regeerperiode breidde het aantal eigentijdse schilderijen uit van 4 naar 52 stuks. Rond de jaarwisseling 1808-1809 gaf Napoleon te kennen dat hij de eigentijdse schilderijen uit de rijkscollectie van het Amsterdamse Koninklijk Museum (het latere Rijksmuseum) naar Paviljoen Welgelegen wilde laten komen. Hij hield van kunst, waardoor hij het Paviljoen waarschijnlijk voor zijn plezier van moderne kunst wilde voorzien. 

Cornelis Apostool was de eerste officiële directeur van het Koninklijk Museum. In 1828 stelde hij voor om in het Trippenhuis in Amsterdam alsnog een aparte zaal in te richten voor de moderne collectie. Het was toen gebruikelijk om oude en moderne kunst gescheiden van elkaar tentoon te stellen. Dit ging niet door, maar hetzelfde jaar werd naar een nieuwe ruimte voor deze schilderijen gezocht. Zo opende in Parijs het Musée Royal de Luxembourg, destiné aux artistes vivants, voor moderne en/of hedendaagse kunst in 1818 zijn deuren. Uiteindelijk werd in 1838 een Nederlandse tegenhanger van dit Franse museum in Paviljoen Welgelegen opgezet: een kunstgalerij voor schilderijen van levende Nederlandse kunstenaars zou worden.

De collectie van het Museum van Levende Nederlandsche Meesters in het Paviljoen was het eerste museum van hedendaagse kunst in Nederland. Het verzamelbeleid had een nationaal karakter en er waren 3 aanschafcriteria: eigentijds werk, van een Noord- of Zuid-Nederlandse meester, nog levend of in de 19e eeuw overleden. Op kwaliteit werd niet gelet, men schafte zoveel mogelijk aan.

Het pronkstuk van de verzameling was het enorme werk van J.W. Pieneman, ‘De Slag bij Waterloo’, dat de ereplaats had in de grote middenzaal. Dit schilderij hangt nu in het Rijksmuseum in Amsterdam.

Koloniaal Museum (1871-1923)

In 1871 werd het Koloniaal Museum in de zalen van de zijvleugel van het Paviljoen geopend. F.W. van Eeden (vader van Frederik van Eeden) werd belast met het verzamelen van een begincollectie.
Het museum bestond uit een reeks zalen op de begane grond en op de eerste verdieping van de Dreefvleugel. Er waren ook een bibliotheek met leeszaal, een laboratorium voor wetenschappers en diverse werkruimten. De collectie moest een levendig en systematisch beeld geven van grondstoffen en producten uit de overzeese gebieden Oost- en West-Indië.

De collectie bestond onder andere uit bamboe- en rotanmeubelen, een opgezette koningstijger van Sumatra, modellen van Indische vaartuigen en woningen, Indische kunst en nijverheid. In 1923 werd het museum overgebracht naar het nieuwe Koloniaal Museum (Tropen Instituut) in Amsterdam.

koloniaal museum

Het Museum van Kunstnijverheid (1877-1926)

In de kamers op de bovenverdieping van de zijvleugel van het Paviljoen was het Kunstnijverheidsmuseum ingericht. Na het vertrek in 1885 van het Rijksmuseum voor Levende Nederlandse Meesters, werden ook de grote bovenzalen door dit museum in gebruik genomen.

Het doel van het museum was het bevorderen van de kunstnijverheid en de kunstzin in Nederland. Bijvoorbeeld door belangstellenden en beoefenaars van decoratieve kunsten en ambachten toegang te geven tot een vaste verzameling onderwerpen. Ook werden afgietsels van kunstvoorwerpen verkocht, waren er tentoonstellingen en lezingen, werden boek- en plaatwerken uitgeleend en praktisch onderwijs aan scholen gegeven.

koloniaal museum buiten

Er hingen voorbeelden van Egyptische en Perzische kunst. Een groot deel van de eerste zaal was ingenomen door Griekse en Romeinse sculpturen. De hoge middenzaal bevatte een overdaad aan stijlen; Arabische en Moorse ornamenten, Romaanse en Gotische kunst, voorbeelden uit de Italiaanse, Franse, Duitse, Vlaamse en Nederlandse renaissance. De derde zaal was geweid aan ornamenten, huisraad (voornamelijk beschilderd Hindelopen) en tapijten. Zoals in bijna alle kunstnijverheidsmusea uit de tweede helft van de 19e eeuw, had ook Haarlem geen geld om originele voorwerpen te kopen. Daarom waren het vaak reproducties die te zien waren.

In de kleinere zaaltjes waren de collecties metaalwerk, textiel, glas, aardewerk, hout en leder ondergebracht. Deze verzamelingen omvatten voornamelijk originele stukken.